Wat je zegt als je nog niet weet wat woorden kunnen doen.

 
“Hey, een dikke meneer!” Marin riep het vrolijk, midden op straat. Zonder oordeel, zonder schaamte. Gewoon zoals alleen een kind van drie dat kan.

Toch voelde ik iets in mijn buik samenkrimpen. Niet omdat zij iets verkeerds zei, maar omdat ik me ineens zó bewust was van hoe het kon binnenkomen.

Marin ontdekt de wereld nog in tegenstellingen: groot en klein, dik en dun. Meer is het niet. En ergens is dat ook prachtig. Zo open. Zo eerlijk.

Ze is een lief, zorgzaam kind, een echte dierenvriend. Altijd op ontdekking in de natuur, nieuwsgierig naar alles en iedereen. En al kan ze het nog niet in woorden vangen, ik voel: ze kijkt met een warm hart, niet met een oordeel.

Maar ik merk ook hoe snel er een grens opduikt. Hoe ik als moeder ineens in een spagaat sta tussen haar onbevangenheid en mijn wens om haar taal te geven die zacht is. Die ziet, zonder te reduceren.

Want ik weet hoe het voelt om bekeken te worden. Met mijn 1.20 meter en groeistoornis hoor ik al mijn hele leven opmerkingen over hoe ik eruitzie. Meestal doet het me weinig, ik ben het inmiddels gewend. Maar ik ben niet van steen. Soms zou ik willen dat mensen iets verder keken dan dat.

En precies dat wil ik Marin ook leren. Dat je iemand mag zien zoals die is, en ook mag oefenen in hoe je dat benoemt. Met aandacht. Met liefde.

Dus ik zei iets als: “Ja, je zag een meneer. En mensen zien er allemaal anders uit. De één is groot, de ander klein. Sommige mensen hebben een andere kleur huid, een bril, krullen, een rolstoel of een dikke buik. Iedereen is anders en dat is juist zo mooi. Maar weet je? Je hoeft dat niet altijd hardop te zeggen. Soms is het fijner als je het zachtjes tegen mij zegt.”

Ze knikte. Pakte m’n hand. En vroeg of we straks een börek konden halen.

Kinderen leren de wereld in sprongen.
Ik leer ondertussen mee. Over kijken, benoemen, en verder kijken dan de buitenkant.

Liefs,
Esther