Wanneer was de laatste keer dat je écht vies werd?

 
Niet zo’n keurig spatje op je broek dat je zo wegveegt. Ik bedoel: modder tot aan je enkels. Aarde onder je nagels. Een grasvlek die er niet meer uitgaat. En dan denk je: Ach, laat maar zitten. Het is het waard.

Ik moest daar laatst aan denken, toen ik Marin zag spelen in de OERRR Speelnatuur van Natuurmonumenten, in Haarzuilens. Een plek waar kinderen eindeloos mogen ontdekken, vies worden en buitenspelen. Ze sprong in plassen, gooide met zand en veranderde langzaam in een waar modderkunstwerk. En ze straalde. Geen zorgen, geen ‘mama, kijk eens hoe vies!’, maar plezier. Gewoon: Dit is leuk!

Dat herkende ik meteen. Zo was het vroeger ook altijd. Kamperen in een tent, dagenlang bij de rivier zitten, stenen verzamelen, beestjes vangen, spelen met modder, voeten in het water. Geen wifi, geen animatie, geen planning. Alleen de natuur en de vrijheid om lekker vies te worden. Je verveelde je niet. Je was gewoon bezig. Met ontdekken.

Ergens onderweg zijn we dat een beetje vergeten. Buiten werd iets voor het weekend. Of voor ‘mooi weer’. Iets wat vooral schoon, comfortabel en fotogeniek moest zijn. Terwijl het echte buitenleven helemaal niet netjes is. Het is ruig, onvoorspelbaar en juist daarom zo bevrijdend.

Want buiten leer je kijken. Vertragen. Meebewegen. Accepteren dat niet alles maakbaar is. Dat de mooiste momenten vaak ontstaan als je gewoon doet, en niet nadenkt over hoe het eruitziet.

Ik voel me nog steeds het meest thuis bij die rauwe variant van buiten zijn. Bij mensen die werken met wat er is. Die hun handen vuil maken, het weer incasseren en gewoon doorgaan.

Misschien zit het verlangen naar buiten niet in avontuur of prestatie, maar in eenvoud. In weer even kind zijn en lekker buitenspelen.

Dus ik ben benieuwd: wanneer was de laatste keer dat jij dacht: “Laat maar, ik word toch al vies. En het is het waard”? En vooral: wanneer ga je het weer doen?

Liefs,
Esther